Amber

Ambers start in het leven had misschien slechter gekund, het had in ieder geval heel veel beter gekund. Ze had de pech geboren te worden bij een typische “broodfokker”; zo een die verschillende teven had, elk in hun eigen hok, waar zij hun kroost ter wereld brachten. Twee nesten per jaar, omdat meer nu eenmaal niet ging. Er werd zo weinig mogelijk zorg aan besteed, want het moest geld opbrengen en niet teveel tijd kosten.
Waren de pups eenmaal geboren, dan leerden ze al snel dat ze zichzelf moesten zien te redden, want anders overleefden ze eenvoudigweg niet.
Het was een slechte tijd, waarin Amber geboren werd. Er was niet veel vraag naar Rottweilerpups. Daarom besloot de fokker zijn pups te verkopen aan een handelaar. Zo was hij in ieder geval zeker van zijn geld.

Amber en haar broertjes en zusjes kwamen terecht in een dierenwinkel in Den Haag, waar die kleine zwart met bruine beertjes vanachter de etalageruit menigeen wisten te vertederen. Het ene na het andere puppy werd verkocht en vond een nieuwe thuis. De een trof het daarbij beter dan de ander. Amber werd gekocht door een jonge vrouw uit Amsterdam en werd meegenomen naar een piepklein appartementje midden in de binnenstad. Aanvankelijk leek zij een gouden tijd tegemoet te gaan. Corine was stapelgek op haar, evenals op haar vijf andere honden. Elke dag gingen zij met zijn allen naar het vlakbij gelegen park om te wandelen en te spelen met elkaar en met de andere honden die daar kwamen voor hun dagelijkse uitlaatbeurt.

De moeilijkheden begonnen toen Amber bijna een jaar oud was. Corine had intussen een man leren kennen, waar zij erg verliefd op was. Al snel was zij in verwachting geraakt en de gebruikelijke negen maanden later was zij bevallen van een mooi klein meisje, dat de naam Elly kreeg. Elly was niet alleen mooi, ze was ook kerngezond. Dat zeiden de artsen toch. Maar Elly was een zogenaamde huilbaby. Urenlang lag zij hartverscheurend te huilen, overdag maar ook ’s nachts. Corine's vriend werd er horendol van en al na een paar weken hield hij het voor gezien.
Corine bleef alleen achter, met een huilend kind en zes honden, die door alle spanningen en het vele huilen van de baby ook steeds ongeduriger en onverdraagzamer werden tegenover elkaar.

Amber, die inmiddels uitgegroeid was tot een behoorlijk stoere Rottweiler, was onmiskenbaar de lieveling van Corine. Zij was ook Corine’s eerste hond met stamboom en de enige die al van klein puppy af aan bij haar gekomen was.
Lieveling zijn heeft veel voordelen, maar kan in sommige situaties ook heel grote nadelen hebben. Zoals veel mensen, reageerde ook Corine haar spanningen en frustraties af op degene die haar het meest dierbaar was: Amber.
Amber kreeg slaag, veel slaag. Amber werd aan de poot van een zware kast vastgebonden, zodat zij niet meer in de weg liep en tenslotte werd Amber ook afgetuigd met een ketting. Toen gingen Corine’s ogen open en zag zij waar ze mee bezig was. Ze schrok van zichzelf. Dit mocht zo niet blijven duren. Er moesten een paar honden weg en vooral: Amber moest weg, voordat Corine haar iets onherstelbaars zou aandoen. Maar waarheen?

Een paar jaar eerder had Corine een vrouw ontmoet, die zich ontfermde over honden die niet langer gewenst waren. Zij moest haar telefoonnummer nog ergens hebben. Een speurtocht door al haar tassen en kastladen leverde het gezochte nummer op.
Een telefoontje en een autorit van een half uur later zat Corine huilend aan de keukentafel bij Annie en John en zo deed Amber intrede in mijn leven.

Ik woonde op kamers bij dit merkwaardige echtpaar, dat inmiddels al eenentwintig honden in hun huis had rondlopen. Voor Amber en Dibbes was er zeker ook nog wel een plaatsje vrij.
Ik bewoonde de zolderverdieping van datzelfde huis, maar al snel nadat ik daar mijn intrek genomen had, vertoefde ik meer tussen de honden dan in mijn eigen vertrekken. Niet heel veel later draaide ik fulltime mee in dat hondenhuishouden. Iedere dag moest er geveegd en gedweild worden, meerdere keren per dag moesten de uitwerpselen van de binnenplaats opgeruimd worden en een keer per dag mochten alle honden een lange wandeling maken in het nabij gelegen wandelbos. Die laatste taak was meestal weggelegd voor John, die twee keer per dag zo’n twaalf tot vijftien honden in zijn aftandse Opel stationwagon laadde en ermee naar het bos reed.

Ik had nog nooit eerder een Rottweiler gezien, behalve op een plaatje in een hondenencyclopedie. Het was helemaal niet mijn type hond, dacht ik. Mijn voorkeur ging uit naar een Bouvier. Voor mijn verjaardag zou ik een pup krijgen. De keuze was al gemaakt en de aanbetaling gedaan.

 Af en toe nam ik een stukje van de taak van John over en ging ik met tien tot twaalf honden naar het bos. Ik voelde mij geweldig als ik daar liep, omringd door al die vrolijk spelende en af en toe uitgelaten blaffende honden.
Sommige mensen vonden het fantastisch, wat wij deden. Anderen hadden er absoluut geen begrip voor. Er waren er die mij en de honden zoveel mogelijk meden, terwijl anderen van mening waren dat het bos hen toebehoorde en dat wij er niets te zoeken hadden. Dit leidde af en toe tot conflicten, die echter bijna altijd verbaal uitgevochten werden.

 Het was een mooie zonnige voorjaarsdag; een van de eersten van het jaar. Bijna iedereen wilde van die eerste zonnestralen profiteren. Daardoor was het drukker dan gewoonlijk in het bos. Het was werkelijk een hoogtijdag voor de hondjes uit de wijde omtrek. Veel baasjes waren met hun trouwe viervoeters erop uit getrokken. Ook moeders met kleine kinderen bevolkten de paden en de speelweiden. Het was een vrolijke bedoening.
En daar kwam ik, met tien vrolijk blaffende en rondrennende honden. Al op de parking zag ik dat er veel volk te verwachten was en daarom besloot ik de grote paden te mijden. Eerst volgde ik met “mijn” meute het onverharde pad langs de buitenkant van het bos, om later via enkele kleine paadjes binnendoor terug te keren naar de parking. Voor de honden maakte het niet uit welke route ik volgde. Zolang zij maar lekker konden rennen en spelen en af en toe achter een konijn aan konden zitten, waren zij tevreden. Ze zwermden uit naar alle kanten, snuffelden rond tussen de struiken en kwamen geregeld even kijken of ik er nog was. Op mijn gemak vervolgde ik mijn weg. Af en toe riep ik een paar namen van honden die wat te ver weg gingen naar mijn zin. Over het algemeen kwamen ze meteen op mijn roepen. Het was een heerlijke dag en ik genoot van de wandeling.
Opeens vlogen de honden met zijn allen vooruit. Enkelen blaften luid. Ik riep, ik floot. De meeste kwamen terug, maar niet allemaal. Even verder zag ik een duidelijk zeer geschrokken man, met een klein kindje in een wandelwagen. Enkele van de honden draaiden vrolijk blaffend om hen heen. Ik kende de honden en wist dat zij geen kwaad in de zin hadden, maar begreep ook de schrik van de man. Ik riep hem toe rustig te blijven, omdat er dan niets zou gebeuren. Ik wilde mij verwijderen en de honden met mij meelokken, zodat de man rustig zijn weg zou kunnen vervolgen.

Misschien verstond hij mij niet. Misschien vertrouwde hij mij niet. Hij bleef niet rustig staan, hij probeerde ook niet in tegengestelde richting te ontkomen. Hij kwam recht op mij af met  geheven en gebalde vuisten. Al scheldend begon hij mij te stompen en te trappen. Dat duurde gelukkig niet lang, want Amber kwam tussenbeide. Doodgemoedereerd stelde zij zich op tussen mij en mijn aanvaller. Een diep gegrom en blikkerende tanden waarschuwden hem, dat hij zich beter kon terugtrekken en dat deed hij gelukkig ook.
Zo snel ik kon keerde ik terug naar de auto, gevolgd door alle tien de honden.

En Amber? Die kon voor mij niet meer stuk. Wat een hond was dat! Een rottweiler ten voeten uit.
Een rottweiler niets voor mij? Vanaf dat moment was er voor mij eigenlijk nog maar één hond: een rottweiler en die heette Amber.

Het waren speciale omstandigheden, waardoor ik moest afzien van mijn bouvierpup. Als troost stelde Annie mij voor een hond te kiezen uit de meute die zij in huis had. Die keuze was snel gemaakt: Amber.
Vanaf die dag was Amber mijn hond. Vanaf die dag ging Amber overal met mij naar toe. Vanaf die dag hoorden wij bij elkaar en beleefden wij heel veel mooie en ook heel veel moeilijke momenten, maar altijd was ze er voor mij. Altijd weer wist ik mij gesteund door haar, door Amber, míjn hond.

 Vaak werd mij gevraagd hoe oud Amber was. Ik wist haar exacte leeftijd niet en daarom antwoordde ik meestal: “Ik denk dat ze een jaar of twee is.”
Dat hield ik jaren lang vol, totdat ik begreep dat dat niet meer juist kon zijn. Ik rekende eens en schatte dat Amber nu toch wel vijf jaar moest zijn. Ook dat duurde jaren. Pas in de laatste jaren van Ambers leven gaf ik toe dat ik er geen flauw idee van had, hoe oud zij was.

Ongeveer een jaar na haar dood kwam ik tot de ontdekking dat Amber een leeftijd van tien jaar had bereikt, waarvan zij er ongeveer acht met mij gedeeld had. Inmiddels had een andere hond haar plaats in mijn huis ingenomen en natuurlijk was dat weer een rottweiler. Maar de plaats die Amber in mijn hart had ingenomen, die zal nooit door een andere hond, hoe lief en hoe dierbaar ook, worden ingenomen.

  

Henneke Versteeg

12 januari 2004