Een vreemd vogeltje

Midden In de nacht werden wij gewekt door een vreemd geluid. Het was niet echt een gepiep. Het was ook niet echt getsjirp. Toch klonk het een beetje als een vogeltje. Mijn geliefde verliet de partnerlijke sponde om te gaan kijken wat de bron van dat merkwaardige geluid was. In het halfduister op de overloop ontdekte ze Tobias, onze kat. Blijkbaar had hij weer een vogeltje gevangen en nu kwam hij dat – in zijn grote adoratie – aan ons aanbieden. Wat moet je in het holst van de nacht met een halfdood vogeltje? Niets, daarom joeg Woudy de kat naar beneden, in de hoop dat hij zijn buit zou meenemen.

De rust keerde weer, evenals onze dromen.

Na een aantal uren verkwikkende slaap begonnen wij opgewekt aan een nieuwe dag. Het vogeltje was vergeten. We hadden het druk met de alledaagse beslommeringen, die er vooral in bestonden dat wij voor onze dieren zorgden. Een van die dieren was een rottweilerpup van ongeveer elf weken oud. Met haar hadden we natuurlijk onze handen vol, want zo’n jong hondje moet om de haverklap naar buiten voor de nodige sanitaire stops.

De avond viel en het duister deed opnieuw zijn intrede. In huis werden de lichten ontstoken. Niet teveel, want wij schemerden graag. Onder de open trap in de huiskamer stonden twee hondenmanden, een voor Sheeta – onze cocktail d’amour – en een voor Rosy, de eerder genoemde rottweilerpup. Nog geen twaalf weken oud en daarom nog niet volledig ingeënt.

Alles was rustig. Tobias was nog niet thuis. Waarschijnlijk was hij nog aan het jagen. De televisie stond aan. Wij, keken naar een videofilm. Dat deden we vaak in die tijd. 

Opeens hoorden we weer dat vreemde geluid. Het kwam van onder de trap deze keer. We gingen kijken en ja hoor, daar lag het vogeltje dat Tobias de vorige nacht had meegebracht. Het arme beestje zag er vreemd uit, maar ja, na een kennismaking met de tanden en klauwen van een volwassen kater was dat niet zo gek. Blijkbaar was het stumpertje flink toegetakeld. We schoven de hondenmanden een beetje opzij, zodat we wat beter konden kijken. Hiervan schrok het vogeltje. Het spreidde zijn vleugels en vloog de kamer in. Wat een vreemd vogeltje was dat, met die grote kale vleugels! Maar, dat was helemaal geen vogeltje. Dat was een vleermuis. 

De schrik sloeg ons om het hart. Van alles schoot mij door het hoofd. Vleermuizen kunnen hondsdolheid overbrengen. Het zijn beschermde dieren. Je mag ze dus niet doodslaan...

Mijn eerste reactie was: pup oppakken en beschermen – vooral tegen zichzelf, want hoewel de vleermuis geen enkele interesse leek te hebben in onze honden, had Rosy wel heel veel belangstelling voor dat gekke vliegende beest.

Hadden we eerst nog het idee om het diertje zelf te vangen, die gedachte lieten we al snel weer varen. Iedere keer als we in de buurt kwamen vloog hij weer naar een andere plek. Bovendien wisten wij geen antwoord op de vraag: hoe vang je een vleermuis? Daar kwam nog bij, dat we het eerlijk gezegd maar een griezelig ding vonden. Misschien teveel vampierenfilms gezien? 

Terwijl ik Rosy stevig in mijn armen had, hield ik scherp in de gaten waar “die engerd” bleef. Woudy pakte de telefoon en ging aan het bellen. De politie: “Nee mevrouw, daarvoor moet u niet bij ons zijn. Dat is een klusje voor de dierenbescherming.” De tegenzin om ons te komen helpen was bijna tastbaar. De dierenbescherming: “Nee mevrouw, de regeling is pas veranderd en nu moet de politie dat doen. Dat valt nu echt onder hun bevoegdheid.”

Dat begon er goed uit te zien. Opnieuw belde Woudy de politie, dit keer om aan oom agent uit te leggen wat zijn verantwoordelijkheden waren. Oom agent was niet blij. De tegenzin droop nu echt door de telefoon heen onze huiskamer binnen. “Probeert u eerst zelf om hem naar buiten te krijgen,” adviseerde hij, “en als het echt niet lukt, belt u nog maar eens. Dan zullen we wel eens kijken wat wij kunnen doen.” Daar waren we mee geholpen! Kijken konden wij zelf ook. Sterker nog! Dat stond ik al heel de tijd te doen.

Wat nu?

 In geval van nood is een goede buur, of zelfs een niet zo goede buur, beter dan een verre vriend. Misschien had buurman Nico een idee?

Woudy ging het hem vragen en jawel, hij had een idee en hij had een schepnet. Daarmee was onze onwelkome gast snel gevangen en afgevoerd naar buiten. Wij konden opgelucht ademhalen, maar we waren nog niet helemaal gerust. Tobias had de vleermuis in zijn bek gehad en er waarschijnlijk een poos mee “gespeeld”. Misschien had het ondier zich verdedigd en hem gebeten? Stel je voor dat hij besmet was? Hoelang was de incubatietijd van rabiës ook alweer? Het wilde mij niet te binnen schieten.

We belden de dierenarts en wilden eigenlijk nog diezelfde avond met onze hele menagerie bij hem op bezoek voor inentingen. Hij stelde ons echter gerust. Hoewel de kans op besmetting heel klein was, omdat in Nederland slechts een heel klein percentage van de vleermuizen met rabiës besmet was, vond hij inenten wel verstandig, maar dat kon rustig wachten tot de volgende dag.

 Daar zaten wij dus, de volgende morgen, in de wachtkamer van de dierenarts met twee honden en twee katten, nog een beetje nahijgend van ons avontuur met een heel vreemd vogeltje.

 

                                                                                                                             Henneke Versteeg, 16 oktober 2003